Familiefoto's

Familiefoto's
Familiefoto's

zondag 14 juli 2019

Genealogisch blog 379


De expedities naar de Slakkona en de Reteh

Als 16-jarige jongen begon Adriaan Constant van Haeften zijn carrière bij de Marine als adelborst 2e klasse aan het Koninklijk Instituut voor de Marine in Medemblik. Toen hij om gezondheidsredenen op 1 juli 1884 met pensioen ging, kreeg hij de titulaire rang van Schout bij Nacht. Daarmee behoorde bij tot de groep opperofficieren van de Marine en hij had bijna alle rangen doorlopen.
Adriaan Constant werd op 11 juni 1830 in Arnhem geboren als oudste zoon van Petrus Adrianus van Haeften, die van beroep controleur van het Kadaster in Gelderland was, en Cornelia Jacoba Maria van Outhoorn. Hij werd in de Hervormde Kerk van Arnhem gedoopt door ds. J.C. Boot, die aldaar van 1789-1834 predikant was en die de grootvader was van zijn latere echtgenote Johanna Boudewina Boot.

Geboorteadvertentie van Adriaan Cornelis van Haeften
Geboorteadvertentie van Adriaan Cornelis van Haeften

In 1844 had zijn grootvader, Adriaan van Haeften (1766-1848), voor zichzelf en zijn nog levende nakomelingen op aanvraag de adellijke titel van jonkheer/jonkvrouw verkregen van de Hoge Raad van Adel. Daardoor was Adriaan Constant automatisch ook jonkheer vanaf 1844.
Over de jeugd van Adriaan Constant is weinig anders bekend dan dat het gezin, waartoe hij behoorde, nog al eens verhuisde door de vele functies van zijn vader bij het kadaster en de belastingdienst. Het is niet uit te sluiten, dat Adriaan Constant koos voor een carrière bij de Marine op basis van de verhalen van zijn ooms Anne Bregittus en Jacob van Haeften, die beiden opklommen tot 1ste Luitenant ter Zee.
Bij koninklijk Besluit (KB) nr. 66 van 23 augustus 1846 werd Adriaan Constant toegelaten tot de Adelborstenopleiding bij het Koninklijk Instituut voor de Marine, dat gelegen was op ’s Lands werf in Medemblik. De toegelaten jongelieden, tussen de 13 en 18 jaar, waren Adelborsten der tweede klasse, kregen een 4-jarige opleiding tot officier bij de Marine en werden op het terrein in een daartoe geschikt lokaal gekazerneerd. Geslapen werd er in hangmatten, voorzien van een paardenharen matras, een hoofdkussen en verder toebehoren.
Het ontbijt vond ’s zomers om 06.30 uur en ’s winters om 7.30 uur plaats. Het middageten werd om 14.00 uur geserveerd en het avondeten om 21.00 uur. Elke Adelborst kreeg per dag een halve Nederlandsche kan bier (ca. 1 liter). Op geboortedagen van leden van het Koninklijk Huis kregen de Adelborsten naast het bier per vier man een fles wijn bij het middagmaal.
Om op het Instituut toegelaten te worden moesten de jongelieden een jaarlijkse bijdrage betalen van fl. 350,00. De betaling kon in twee termijnen plaatsvinden. De Adelborsten mochten gedurende hun verblijf op het Instituut geen andere kleding dragen dan in het reglement op de uitrusting bepaald was. In de volgende vakken werd les gegeven:

·         Wiskunde
·         Natuurkunde
·         Militaire en zeevaartkundige wetenschappen
·         Geschiedenis
·         Aardrijkskunde
·         Nederland
·         Frans, Duits en Italiaans
·         Godsdienst, zedenkunde,  antropologie en recht
·         Tekenen, waaronder technische tekenen
·         Gymnastiek
 

 Voormalig Koninklijk Instituut voor de Marine te Medemblik (foto: NIMH)
 Voormalig Koninklijk Instituut voor de Marine te Medemblik (foto: NIMH)

Op zondag gingen de Adelborsten in Medemblik ter kerke; roken en sterke drank waren verboden. Per week kregen de jonge heren een gulden zakgeld. Geld aannemen van familie was verboden.
Om bevorderd te worden tot Adelborst der eerste klasse moesten de vierdejaars in de periode augustus-september een openbaar eindexamen afleggen. Wanneer een Adelborst slaagde voor dit examen, kwam hij bij de eerstvolgende gelegenheid in aanmerking om geplaatst te worden op een van Zijner Majesteits schepen of vaartuigen.

H.O. Wichers
H.O. Wichers

Per KB nr. 4 van 18 augustus 1850 verkreeg Adriaan Constant de rang van Adelborst der 1ste klasse en werd hij geplaatst op het fregat ‘Prins Hendrik’, met welk schip hij naar Ned.-Indië vertrok. Op zijn staat van dienst staat vermeld, dat hij voor het praktisch examen zeer voldoende scoorde en voor het theoretisch examen voldoende. Tijdens de opleiding was Adriaan Constant bevriend geraakt met Karel Cornelis Bunnik (1830-1884) en Hendrikus Octavius Wichers (1831-1889), die het later schopte tot liberaal Minister van Marine en Koloniën (1877-1879) en die, na twee jaar actieve dienst op zee, van 1881 tot 1884 lid was van de Tweede Kamer.



A.C. van Haeften als Luitenant ter Zee der 1ste Klasse
A.C. van Haeften als Luitenant ter Zee der 1ste Klasse

Na zijn examen werd Adriaan Constant op 15 mei 1851 in Ned.-Indië geplaatst op de schoener ‘Kameleon’, die onder commando stond van A. de Buck, om zijn opleiding tot Luitenant ter Zee der 2e klasse te voltooien. De ‘Kameleon’ was rond 1827 in Ned.-Indië gebouwd en behoorde tot de vloot van de Koloniale Marine. Adriaan Constant verkreeg bij KB nr. 55 van 22 september 1852  ingaande op 1 oktober daarop volgend de rang van Luitenant ter Zee der 2e klasse.
Van 1 november 1852 tot 1 augustus 1853 verbleef Adriaan Constant op Zr. Ms. schroefstoomschip ‘Samarang’ in Ned.-Indië. Hij nam daar deel aan de expeditie naar de westkust van Borneo, waar de aldaar wonende Chinezen een levendige handel in opium hadden, weigerden belasting te betalen en de inheemse bevolking onderdrukten. De Chinezen kwamen in verzet tegen de Nederlands-Indische overheid, toen schepen van de Nederlandse Marine een Chinees vaartuig met smokkelwaar in beslag hadden genomen bij de monding van de Slakkona rivier op 5 en 6 juli 1853. Adriaan Constant ontving voor zijn deelname aan deze gevechten het ereteken voor belangrijke krijgshandelingen. Daar het ereteken pas per KB nr. 24 van 19 februari 1869 werd ingesteld, kreeg Adriaan Constant het toen met terugwerkende kracht.
Eind 1853 keerde Adriaan Constant met  Zr. Ms. ‘Dolfijn’ terug naar Nederland. Het schip kwam aan in Vlissingen op 7 december. Vervolgens diende Adriaan Constant in Nederland tussen 1854 en 1857 op verschillende andere schepen, waaronder het transportschip ‘Prins Hendrik’, het fregat ‘Doggersbank’ en het wachtschip ‘Willemsoord’ te Vlissingen.  
Een wachtschip was een volledig uitgerust, licht oorlogsschip, dat voor een haven of een riviermonding lag. Wachtschepen hadden vaak tot taak het innen van tolgelden en het tegengaan van sluikhandel. Sinds het midden van de 19e eeuw voorzagen afgedankte wachtschepen in de behuizing van manschappen, omdat er elders geen plaats meer was. Het laatste wachtschip van de Kon. Marine was de ‘Jacob van Heemskerk’, die in 1969 van de sterkte werd afgevoerd.
Tussen 31 oktober 1855 en 21 februari 1856 is Adriaan Constant niet in actieve dienst geweest. Wanneer een marineman op non actief gesteld was dan had hij geen varende plaatsing, maar verrichtte hij werkzaamheden aan de wal, waarvoor het salaris lager was dan voor een varende plaatsing. Het op non actief gesteld zijn hield destijds dus geen disciplinaire maatregel in, zoals tegenwoordig.
Adriaan Constant vertrok weer naar Ned.-Indië op 1 oktober 1857 met Zr. Ms. schroefstoomschip ‘Soembing’, dat onder bevel stond van Luitenant ter Zee der 1ste klasse A.J. Kroef.

Reteh
Reteh

In Indië kreeg de ‘Soembing’ de opdracht als commandoschip van een flottielje op weg te gaan naar de monding van de rivier de Reteh aan de oostkust van Sumatra ter hoogte van Singapore. De taak was daar af te rekenen met de Panglima Bezaar, een plaatselijke vorst, die lak had aan het Nederlandse gezag, zich niet aan verdragen hield, de plaatselijke bevolking koeioneerde en zich te buiten ging aan zeeroverij. Tussen 9 oktober en 18 november 1858 werd er rond de vesting van de Panglima in de monding van de Reteh hevig gevochten, waarbij de al zieke Adriaan Constant, volgens Luitenant Kroef in zijn  rapporten, zich onderscheidde door zijn “wakkere” gedrag. Bovendien lichtte hij de commandanten van te hulp geschoten schepen zo goed in over de situatie ter plekke, dat die meteen mee konden doen met de belegering.
 

Illustratie in De Gids, jaargang 23, 1859
Illustratie in De Gids, jaargang 23, 1859

Op zondag 7 november 1858, 

“een der glorierijkste in de geschiedenis van ons Nederlandsch-Indisch krijgswezen”,  
begon de verovering van de vesting van de Panglima. In het algemeen cultureel tijdschrift “De Gids” jaargang 23 van 1859 vergeleek schrijver Nicolas Charles Sieburgh de “krijgsverrigtingen”, enigszins bombastisch, met een napoleontische veldslag. De Panglima Bezaar vond zelf de dood. Zijn vrouw en dochtertje werden evenals een tiental verwanten in verzekerde bewaring gesteld.

“Ter zake zich te hebben onderscheiden bij de bestorming en inname der bentings (versterkingen) van de Panglima Bezaar te Reteh op 7 november 1858”
kreeg Adriaan Constant een eervolle vermelding in de dagorder bij KB nr. 55 van 8 mei 1859. Hij deed nog dienst op de ‘Soembing’ tot 1 augustus 1859. In 1855 gaf Koning Willem III een replica van de ‘Soembing” cadeau aan de Keizer van Japan.

De Soembing


Daarna bleef Adriaan Constant in Indië en was hij gedurende 3 weken de oudste officier op het stoomschip ‘Samarang”. Op 21 augustus 1859 werd hij overgeplaatst op het fregat ‘Palembang’, van welk schip hij op 7 december 1859 de eerste officier werd. Dat was hij ook van 21 januari 1860 tot 1 juli 1861 op Zr. Ms. ‘Madura’, van welk schip hij van 15-27 december 1860 tijdelijk de commandant was. Vervolgens diende hij weer op de ‘Palembang’, daarna als eerste officier op de korvet ‘Prinses Amalia’ en tenslotte in dezelfde functie op de ‘Ardjoeno’ om met dat schip later terug te keren naar Nederland. Op 15 februari 1861 werd Adriaan Constant bevorderd tot Luitenant ter Zee der 1ste Klasse bij KB nr. 42 van dezelfde datum
De ‘Ardjoeno’ vertrok op 16 december 1861 naar Nederland en liep op 6 april in Hellevoetsluis binnen. Korte tijd later werd de ‘Ardjoeno’ uit de vaart genomen en kwam Adriaan Constant weer op non actief.
Adriaan Constant benutte de periode, dat hij op non actief gesteld was, om te studeren voor het examen voor 1ste Luitenant. Op 7 juni 1862 kreeg hij toestemming dat examen af te leggen. Hij slaagde voor het praktijkgedeelte met de score “buitengewoon goed”  en voor het theoretische deel met de score “zeer voldoende”.


Tiel, 14 juli 2019