Familiefoto's

Familiefoto's
Familiefoto's

zaterdag 9 september 2017

Genealogisch blog 225





Ignatiuscollege, de grote ommekeer

Bij het opruimen van mijn boekenkast kwam ik enkele dagen geleden twee boeken tegen die uitgegeven zijn ter gelegenheid van het 85-jarig en 100 jarig bestaan van het St. Ignatiuscollege (Ig) in Amsterdam. Onwillekeurig gingen mijn gedachten terug naar de zeven jaren, dat ikzelf daar op het gymnasium zat. Tot aan het schooljaar 1963-1964 was het St. Ignatiuscollege een van de onwrikbare steunpilaren onder het rijke roomse leven. De paters Jezuïeten hadden bijzonder goed door hoe ze hun zuil overeind moesten houden. Daarvoor stoomden ze de toekomstige katholieke elite klaar.
In eerdere Genealogische blogs (31, 34, 59, 120, 148) heb ik het een en ander verteld over mijn tijd op het Ig. In dit verhaal wil ik door de bril van 2017 nog eens terugkijken op die roerige jaren, toen in het begin alles nog zo vertrouwd was als het vele jaren geweest was, maar op het einde in 1967 was de wereld enorm veranderd.

St. Ignatius College, vlak na de bouw

St. Ignatius College, vlak na de bouw

Toen ik in de zesde klas van de lagere school zat gaf hoofdmeester Joh. Ram mijn ouders het advies mij die klas nog een keer over te laten doen. Mijn vader was het daar niet mee eens en vond, dat ik naar het gymnasium moest op het Ignatiuscollege. Een gevolg daarvan was, dat ik toelatingsexamen moest doen, want ik had geen positief schooladvies. Daarvoor slaagde ik en in september 1960 toog ik voor het eerst op mijn nieuwe fiets naar de Hobbemakade, of beter gezegd de Pieter de Hooghstraat, want daar was de ingang van het college. Je kon de school in ofwel door het groene poortje recht tegenover de MULO aan de andere kant van de straat, ofwel via een grote hal op de hoek met de Nicolaas Maesstraat (beide ingangen zijn te zien op de foto hierboven). In die hal hingen op prikborden allerhande mededelingen van de paters voor de leerlingen en uitslagen van sportwedstrijden. Op de cour kon je je fiets kwijt onder een groot afdak tegen het met klimop begroeide schoolgebouw en elders onoverdekt. In mijn begintijd op het Ig had de cour iets magisch. In het midden lag een handbalveld, waar de leerlingen van de lagere klassen in de pauzes nog wel vaak spelletjes deden die thuis hoorden op de lagere school. Rond de cour was een vrij breed tegelpad waar de leerlingen uit de hogere klassen hun rondjes liepen, vaak “brevierend” met een schoolboek om nog wat na te kijken voor het komende proefwerk. De paters liepen er ook geregeld rond met hun brevier in de hand en werkten zodoende hun dagelijkse gebeden af. Op de cour in de hoek bij de Pieter de Hooghstraat lag de gymnastiekzaal en was de tram, een rij toiletten en urinoirs onder een afdak. (op de bovenstaande foto waren beide er nog niet).

St. Ignatius College

Het bordes
Op de kop van de cour bij de ingang van het patershuis was een bordes. Was er wat bijzonders dan spraken de rector of de zesde klassers de leerlingen vanaf het bordes toe. Het bordes werd ook vaak gebruikt voor het maken van groepsfoto’s van de leraren, paters en soms van leerlingen. Klassenfoto’s werden in mijn tijd altijd naast het patershuis gemaakt. Daar was een hogere trap waarop een hele klas kon worden gepositioneerd. Tijdens de pauzes was het bordes het terrein van pater prefect, of, zoals wij zeiden, de pens. De pens, in mijn tijd pater Herman Bruseker, hield de leerlingen nauwkeurig in de gaten. Wie iets deed wat niet toegestaan was, werd eruit gepikt en kon rekenen op een passende sanctie.  

Pater  Herman Bruseker sj.

Pater  Herman Bruseker sj.


Toen ik in Vα zat bestond het lesrooster bijna geheel uit onderricht in talen. Het tekort aan verplichte lesuren werd ingevuld met een paar uur biologie. Mevr. Klap, die wist dat alpha’s niet echt geïnteresseerd waren in exacte vakken, dacht haar lessen voor ons de moeite waard te maken door de erfelijkheidsleer te behandelen. Mocht niet baten. Daarop vroeg ze mij een keer waarom ik zo zat te klieren. U geeft zo slecht les, was mijn antwoord. Ik moest mijn direct gaan melden bij de pens. Die vroeg wat ik gedaan had en schreef mijn vier vellen met strafregels voor. Uit het kleinste blocnote dat ik kon bemachtigen scheurde ik vier velletjes en schreef die vol met de opgedragen strafregels. Nog geen vijf minuten was ik daarmee bezig. Ik melde me de volgende dag met de opgedragen strafregels bij de pens. Dat was volgens hem niet de bedoeling, dat waren geen vier vellen van gebruikelijke grootte die ik vol had moeten schrijven. Ik verweerde me met de opmerking, dat hij niet had aangegeven hoe groot de vellen met strafregels moesten zijn. De pens liet het er verder bij, ik had strikt genomen aan zijn opdracht voldaan.

Pater Cees Minderop

Pater Cees Minderop
Een van de leraren die het meest benadrukte, dat wij tot de toekomstige elite behoorden, was ongetwijfeld wiskundeleraar pater Cees Minderop. Hij hield ons elke les voor, dat wij, leerlingen van het gymnasium, de opgaven, die hij behandelde, moesten begrijpen. De kinderen aan de overkant op de MULO in de Pieter de Hooghstraat losten de wiskundesommen op met apekunstjes. Hij eiste van ons begrip voor het oplossen van vraagstukken, terwijl hij het hele schoolbord zo vol kalkte met formules, dat na een paar lessen zijn zwarte pij wit was van het krijt. Begrepen we een vraagstuk niet, dan werd Minderop driftig. Een keer zo erg dat hij de bordenwisser in mijn richting de klas in smeet. Door te bukken kon ik het projectiel ontwijken, maar Frans Wiggerman, die achter mij zat, werd vol getroffen. De klas wist niet wat er gebeurde. Minderop, echter, ging onverschrokken verder met zijn les alsof er niets aan de hand was.
Na de officiële lesuren konden de leerlingen van het Ig nog twee uur verder zwoegen in de huiswerkklas. Daar konden we onder toezicht van de dienstdoende surveillanten ons huiswerk maken. Volgens het reglement diende je te beginnen met het schriftelijke werk, dat de docent had opgegeven, daarna moest er in stilte verder gestudeerd worden. Wanneer een leraar twijfelde aan de discipline van huiswerk maken van een leerling, dan kon hij de jongen naar de huiswerkklas sturen. Ook kon je in de huiswerkklas extra begeleiding krijgen bij de vakken war je niet zo goed in was. Was je klaar met je werk, dan diende je direct naar huis te gaan, bij de school blijven hangen was geen optie.
De Jezuïeten zorgden niet alleen voor hoogwaardig onderwijs ook het geestelijke leven van hun leerlingen lag hen na aan het hart. Voor aanvang van het eerste leerjaar werd mij gevraagd hoe vaak per week, en op welke dagen ik dacht een H. Mis in een van de vele kapellen bij te wonen. Drie keer, gaf ik op, en ik kon tijdens die missen ook als misdienaar dienen, want dat was ik op de lagere school ook geweest. Sommige paters werkten hun dagelijkse mis in vlot tempo af, bij anderen moest je vrezen te laat te komen voor het eerste lesuur. Wanneer je een keer, om wat voor reden dan ook, zonder het te melden niet het opgegeven aantal malen ter kerke ging, dan kon je een sanctie verwachten. Jonge, nog niet volledig gewijde paters hielden elke morgen in de aula bij wie die dag aan zijn kerkelijke verplichtingen voldeed. Natuurlijk was een van de paters je biechtvader, meestal de klassenleraar. Over mijn biechtvader schreef ik in Genealogisch blog 34 van 14 maart 2016:

“Vanuit diezelfde angst vertelde ik als leerling op het Ignatiuscollege aan mijn biechtvader hoe ik mijn  eigen seksualiteit ontdekte. Totdat ik zag, dat hij genoot van mijn biecht en zijn handen voortdurend onder zijn pij heen en weer gingen. Nooit meer heb ik gebiecht. Ik verliet de kerk een paar jaar later. Ik vond het voorval niet groot genoeg om het aan te melden bij de Commissie Deetman.”
Nard Loonen, een jaargenoot die in een parallelklas zat,  schreef in zijn blog onder de titel “7 Sacramenten (1959-1966) – 7/7”, dat dezelfde pater hem in een paarse onderbroek fotografeerde. Een klasgenoot van mij vertelde op een reünie in 1988  in tranen, dat hem hetzelfde overkomen was. Het is niet aan mij zijn naam te noemen.

Pater Dionysius (Nies) van Lier sj

Pater Dionysius (Nies) van Lier sj

Voor je persoonlijke geestelijke heil was het niet ongebruikelijk om na schooltijd of ’s avonds bij een pater langs te gaan  en op zijn kamer met hem te spreken over jouw zoektocht naar de zin van het leven. Ik heb vanuit die gedachte vele uren zitten praten met pater Dyonisius van Lier, die ik, als vriend, bij voorkeur “Dirkie” noemde. Voor mij stond het vast: de paters op het Ig misten drie dingen: een radio om te vernemen wat er in de buitenwereld gaande was want ze moesten weg uit het besloten wereldje van het patershuis en de school, eigen geld om economisch onafhankelijk te zijn en te kunnen doen wat ze zelf wilden en een vrouw, want als een man zijn eigen sexualiteit verplicht was te onderdrukken dan kwamen daar zeker narigheden van. Het zou niet lang meer duren, voordat ik daarin gelijk kreeg.
Een ander voorbeeld van de zorg voor het geestelijke leven van de leerlingen vormde de Mariacongregatie. Grote voorganger in mijn tijd was pater Jan Hirs. Door middel van speciale kerkdiensten in de pas gerenoveerde huiskapel en processies over de cour kreeg de verering van de H. Maagd Maria vorm. Trouwe leden van de congregatie droegen dagelijks een speldje en bij Mariafestiviteiten een lichtblauw lint met een medaille om hun nek. Tijdens de schoolkampen in Dorst en Vilsteren, waaraan ik heb deelgenomen was er in de centrale tent een Mariahoekje.

Ignatius College

Mariahoekje tijdens schoolkamp in Vilsteren
Tijdens de grote katholieke feestdagen pakte het Ig extra uit. De nachtmissen in de grote kapel met Kerst en Pasen dienden leerlingen en hun ouders ervan te doordringen, dat het een buitengewoon voorrecht was tot de roomse familie te behoren. Als misdienaar oefende ik weken van de voren in plechtig rond het altaar lopen. Pater Bernard Huijbers liet het schoolkoor alle heiligen uit de hemel zingen, kippenvel. Het schoolorkest begeleidde het koor verschillende keren. Tijdens de missen werd er al vaak in het Nederlands gezongen, teksten van Huub Oosterhuis op muziek van Bernard Huijbers. Beiden waren ook betrokken bij de Amsterdamse Studentenekklesia, die door pater Jan van Kilsdonk was opgericht. Conflicten met de gevestigde orde in de katholieke kerk konden niet uitblijven.

Pater Jan van Kilsdonk sj.

Pater Jan van Kilsdonk sj.
Twee muziekstukken hebben destijds grote indruk op mij gemaakt, zoveel zelfs, dat ik ze tegenwoordig nog grotendeels van buiten ken. Dat waren het Collegelied

Wij gaan langs Amstels wegen, bij zonneschijn en regen, ’t college blijft ons doel, wie ’t leven willen wagen, die komen hier bijeen”
 
“Ignaci, dat den Heer u zegene, G’en had niet minder dan gelijk, het zwaarste moet toch het zwaarste wegen en d’aard is minder dan ‘t hemelrijk”.
Uit tientallen of soms honderden aankomende mannenkelen klonken beide liederen overweldigend. Je was er trots op bij die uitverkorenen te horen.
De Jezuïeten begrepen heel goed, dat ze de opgroeiende katholieke Amsterdamse jeugd alleen op het rechte pad konden houden door hen ook na schooltijd aan zich te binden. De huiswerkklas was een voorbeelden daarvan. Daarnaast stond sport hoog in het vaandel vanuit de gedachte:

“Mens sana in corpore sano”.  (Een gezonde geest in een gezondlichaam)
Er waren tal van sport verenigingen. Ik noem ze:
  • ·        RKAVIC (vroeger VIC), voetballen
  • ·        HIC, hockey
  • ·        RIC, roeien
  • ·        ZWIC, zwemmen
  • ·        TIC, tennis
  • ·        TATIC, tafeltennis
  • ·        CRIC, cricket
  • ·        SCHIC, schaken
Ik weet niet meer of er in mijn begintijd op het Ig nog een groep verkenners was.
Tussen de klassen werden eveneens tal van sportwedstrijden georganiseerd, zoals handbal op de cour, volleybal, voetballen. Het is daarom niet verwonderlijk, dat in Amsterdam en de regio menig kampioenschap werd binnengehaald. Geregeld brachten de sportverenigingen talenten voort, die later op een hoger plan naam maakten. In mijn beginjaren nog volledig in pij, namen de paters vaak ook deel aan sportwedstrijden. Wiltink, Van der Loo en Van der Berg konden een aardig balletje trappen.
Maar niet alleen met sport hielden de Jezuïeten de leerlingen van de straat. Jaarlijks voerden leerlingen van het Ig, aangevuld met meisjes van Fons Vitae, een groot toneelstuk op. Na afloop van de voorstelling was er feest. Voorzichtig dansten we met de meisje van het Fons op de muziek van Ivo Niehe en zijn Furies. De band bracht heel voorzichtig andere muziek de school in als die waarvoor Bernard Huijbers zich inzette. Omgekeerd leende het Fons jongens van het Ig voor de stukken die die school wilde opvoeren. Ikzelf ben zo een keer uitgeleend aan het Fons voor het stuk “Ik herinner me mama”. Ik heb een keer meegedaan aan een kleiner stuk op het Ig: De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui van Berthold Brecht. Aan een uitvoering gingen vele uren van repeteren vooraf onder regisseur pater Carel van der Loo.
Elke klas organiseerde klassenavonden bij een van de leerlingen thuis. De eerste van Gym 1c vond bij mij thuis plaats. We sloofden ons uit elkaar te laten zien hoe goed we waren in muziek en het voordragen van gedichten. Maar centraal stond toch wel onze klassenleraar, hij was onze geestelijke leider en bepaalde wat goed voor ons was. Toen keken we nog tegen hem op al durfden we hem al en klein beetje in de maling te nemen. Hoe anders zou dat later zijn.
De Academies boden de aanstaande elite de mogelijkheid na schooltijd hun intellectuele vermogens te vergroten door mee te doen aan de debatten over cultuur, kunst, literatuur enz.; het koor en het orkest noemde ik al. Jaarlijks organiseerde gymnastiekleraar Ed Seebregts (Sepi was zijn bijnaam) een fietsenralley in de omgeving van Amsterdam. Ik heb die een keer gewonnen met een groepje klasgenoten. Lorre, pater Louis Lorié, was de stimulerende kracht achter de Romereizen. Ik heb nooit deelgenomen aan een reis naar Rome. Vond mijn vader te duur. Mijn klas ging een keer een week naar Parijs om Racine en Molière op te snuiven. Ik schreef met Berend-Jan van den Boomen en Peter Elverding een verslag over die reis in De Harpoen. In mijn beginjaren op het Ig was er in de zomer een schoolkamp. Van het eerste kamp staat het lied “Geef ons maar ons Europa”  op de melodie van Exodus nog steeds in mijn geheugen gegrift. Ik zing het nog vaak.
Rond 5 december brachten tal van (hulp)sinterklazen met hun zwarte knechten huisbezoeken aan katholieke Amsterdamse gezinnen. Het geld, dat daarmee binnengehaald werd kwam terecht bij goede doelen, vaak een kindertehuis in Chili. Bij de schoolleiding heerste enige bezorgdheid om de jonge Zwarte Pieten. Zij kregen tijdens de huisbezoeken vaak intieme dingen uit de bezochte gezinnen te horen, hetgeen voor de jongens aanleiding kon geven tot praatjes over die gezinnen. De angst was vooral, dat de jonge jongens bij gemengde huwelijken dingen te horen zouden krijgen die niet voor hun oren bestemd waren.

Ignatius College

De Harpoen, januari 1961
Naar De Harpoen, onze schoolkrant, keken we altijd uit. Welke situatie zou er nu weer op de hak genomen worden. Maar De Harpoen diende toch vooral om onze literaire aspiraties de vrije loop te laten. Er waren onder ons echte schrijvers. Al in 1962 schreef ik in De Harpoen, dat wij jongeren van toen behoorlijk met de Rooms Katholieke Kerk in onze maag zaten. Ik liet weten, dat de kerk mij persoonlijk niet veel meer zei. Voorbode van een definitief afscheid. Veel indruk maakte ik met een artikel over de dood van mijn moeder.
In het schooljaar 1963-1964 begon de grote ommekeer. Zowel de HBS als het gymnasium barstten uit hun voegen. Vergroting van het college door nieuwbouw was de enige oplossing. Dus verhuisde de hele school naar de Banstraat en bleven de paters op de Hobbemakade achter. De Jezuïeten verloren daardoor niet alleen beetje bij beetje hun grip op de leerlingen, maar ook de grip op elkaar. Ik zat in de vierde klas en bleef dat jaar zitten. De voorgaande jaren was ik met taken en bijlessen, tijdens de zomervakantie voor Latijn bij een onooglijke lerares op de Linnaeusparkweg wier huis vol stond met boeken en blauw zag van de rook, en soms het een herexamen, steeds met hangen en wurgen overgegaan. Dat jaar niet meer. Toen mijn moeder in september 1964 plotseling overleed, was ik blij, dat ik was blijven zitten. Ik had hele andere dingen aan mijn hoofd dan huiswerk maken. Daar was gelukkig bij de leraren begrip voor.
Tussen de paters ontstonden conflicten over de inhoud van de lessen. Rector pater Ad Merx en godsdienstleraar pater Albert Verheij rolden over elkaar heen over de inhoud van de godsdienst les. In tegenstelling tot Merx wilde Verheij af van Bijbelkennis en de traditionele katholieke leer en ons leren omgaan met sexualiteit, hij wilde ons leren, dat homosexualiteit een geaardheid was en geen afwijking. Veel van de jonge Jezuïeten als Verkamp, Maas, Veelenturf sloten zich bij Verheij aan. De eerste uittredingen vonden plaats. Leraar Frans Co de Groote, die in het patershuis woonde, verstoutte zich om in onze klas een speech van Hitler na te doen compleet met al het geschreeuw van de Führer. De hele school kon het horen zo ging De Groote te keer, zijn collega’s kwamen vragen of het wat rustiger kon. Niets hielp, De Groote bleef schreeuwen net als Hitler. Uiteindelijk moest rector Merx eraan te pas komen om  De Groote te stoppen. Korte tijd later verdween hij van school.
In Amsterdam werd het met de dag onrustiger. De provo’s hielden bij het Lieverdje hun happenings. Er waren Vietnamdemonstraties die wel eens uit de hand liepen. De paters Van Kilsdonk en Veelenturf riepen ons op mee te doen aan een absoluut geweldloze demonstratie daags voor Kerstmis. Het vertrekpunt was bij de Dokwerker. Ik deed mee en deelde folders uit, waarom de oorlog in Vietnam onmiddellijk gestaakt diende te worden. De tocht eindigde op de Dam en verliep zonder enig incident.

Paul Welling

Vietnamdemonstratie, ik loop op de achtergrond direct naast het rechter paard
Binnen de katholieke kerk deed het Tweede Vaticaans Concilie veel stof opwaaien. Alles wat tot de kerk behoorde stond ter discussie. Ik kreeg van verschillende docenten complimenten voor de artikelen, die mijn vader schreef in dagblad De Tijd, zoals ik die ook in voorgaande jaren gekregen had voor zijn reportages over Afrika en Zuid Amerika. Impliciet hielden die complimenten in, dat de docenten van mij net zulke prestaties verwachten als mijn vader leverde. Maar ik was heel iemand anders.
Na twee schooljaren Banstraat verhuisde het Ig terug naar de Hobbemakade. Langs de Pieter de Hooghstraat was een hele nieuwe vleugel aan de school gebouwd. De cour was de cour niet meer. Het groene poortje was verdwenen. Er stond nu een moderne school met talenpraktica. Het spreken van een taal werd belangrijker gevonden dan het vertalen van klassieke auteurs. De vertrouwde sfeer van vroeger was helemaal verdwenen. Het was alsof we vanaf toen op een andere school zaten.

Gerard Wijdeveld

Gerard Wijdeveld
Ik bracht nog twee jaar in de nieuwe school door. Ik kon er maar niet wennen. Ook de gerenoveerde oude vleugel was niet meer zo knus als vroeger. Toch speelden zich nog een paar voorvallen af, die ik nog steeds kan oproepen als waren ze gisteren gebeurd. Dichter en docent klassieke talen Gerard Wijdeveld trachtte ons met de “Confessiones” van Augustinus nog eens te overtuigen van de grote waarde van het katholieke geloof. We hadden er geen boodschap meer aan. Het ging er ons om het Latijn zo goed mogelijk te vertalen op weg naar het eindexamen. Wat Wijdeveld over de heilige en het geloof vertelde boeide ons niet, zeker niet omdat we wisten, dat Wijdeveld zelf voor de oorlog een aantal hele verkeerde keuzes had gemaakt.
Ik herinner me, dat we in de 6e klas na elkaar geschiedenis hadden van Piet Fontaine en Latijn van de heer Bos. Tijdens zijn lessen kwam Fontaine met allerlei historische bewijzen, die we terug konden vinden in het door hem geschreven lesboek (elk jaar verplicht een nieuwe druk, kassa!), waarom het koningshuis zo goed was voor ons land. Door de Oranjes was Nederland door de eeuwen heen het enige stabiele land in Europa. In het volgende lesuur betoogde Bos aan de hand van teksten van Tacitus, dat Nederland rijp was voor een republiek. Ik voelde wel wat voor het standpunt van Bos met wie ik vlak voor het eindexamen ernstig in conflict kwam. Zoals al eerder opgemerkt, Latijn was bepaald niet mijn sterkste vak. Bos had de gewoonte bij elk gebruik door Tacitus van de ablativus absolutus de klas erop te attenderen, dat de Welling-fout er aan zat te komen. In zijn ogen gebruikte ik bij het vertalen van de ablativus absolutus steevast het verkeerde voegwoord. Die keer schoot de opmerking van Bos me volkomen in het verkeerde keelgat. Witheet van woede verweet ik hem, dat hij blijkbaar niet wilde, dat ik zou slagen voor mijn eindexamen. Ik vroeg hem of hij werkelijk niet begreep, dat zijn irritante opmerkingen mij zo onzeker maakten, dat ik vreesde voor mijn eindexamen. Nog een keer blijven zitten was voor mij niet acceptabel. Bos bond in. Enkele weken later slaagde ik niet in een keer voor het eindexamen. Zowel voor Grieks als Latijn kreeg ik een her. Met dank aan  Bos en Lorre slaagde ik daarvoor met vlag en wimpel.
Ik de examenklas maakten we met Bos nog een kenmerkend voorval mee. Het spande ten zeerste in Amsterdam. Bouwvakkers en studenten waren aan het rellen. Met name De Telegraaf moest het ontgelden. Om op de hoogte te blijven wat er in de stad gaande was hadden we bijna allemaal een kleine transistorradio bij ons. Toen we vernamen dat het bij het gebouw van De Telegraaf uit de hand liep, stonden we allemaal op, pakten onze spullen, verlieten de klas en trokken naar de Nieuwe Zijdsvoorburgwal. Bos bleef beteuterd alleen in de klas achter. De volgende les ging Bos gewoon verder waar we gebleven waren, alsof er niets gebeurd was.

Bouwvakkersoproer

Bouwvakkersoproer

Zoals gezegd, met twee herexamens behaalde ik mijn diploma. Nooit heeft later iemand gevraagd hoe ik dat diploma had behaald. Omdat ik nog herexamens moest doen, ging de feestelijke diploma-uitreiking aan mij voorbij. Op een achternamiddag kreeg ik van  Lorre mijn diploma uitgereikt. Na de daarop volgende zomervakantie verliet ik Amsterdam en ging bij mijn grootouders in Amersfoort wonen en studeren aan de Rijks Hogere Tuinbouwschool in Utrecht. Ik kwam in een uiterst conservatief milieu terecht. Geen docent van het Ig begreep iets van mijn keuze voor tuinbouw. Na het gymnasium ging je toch aan een van de universiteiten studeren. Ik heb het maar zo gelaten. Ik had de afgelopen zeven jaar geleerd mijn eigen keuzes te maken, soms tegen de stroom in. En daar ben ik het Ig nog altijd dankbaar voor.

Tiel, 9 september 2017

 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten