Familiefoto's

Familiefoto's
Familiefoto's

dinsdag 9 januari 2018

Genealogisch blog 252



Grondruil

Je kunt de vraag stellen of de provincie Gelderland heden ten dage dezelfde vorm zou hebben, als Rudolf de Cocq niet in augustus 1265 met graaf Otto II van Gelre (1215-1271)  een grondruil was overeengekomen. Mogelijk behoorde dan het westelijk deel van de Betuwe niet tot het grondgebied van de provincie Gelderland, maar bij Holland. De vraag blijft evenwel puur hypothetisch, want het westelijke deel van de Betuwe en de Tielerwaard behoren weldegelijk tot de provincie Gelderland.
Historici beschouwen het als een meesterzet van graaf Otto II om Rudolf de Cocq zo ver te krijgen, dat hij op 5 augustus 1265, met instemming van zijn zoons Rudolf, Hendrik, Gijsbert en Willem, al zijn allodiale goederen, ca. 450 morgen, tussen Beesd en Leerdam en tussen Lek en Linge aan de graaf overdroeg inclusief de hogere en lagere rechtsmacht. In ruil hiervoor kreeg Rudolf de Cocq gronden te Hien, Neerijnen, Opijnen en Meteren van de graaf te leen met tiendrechten en de lagere rechtsmacht. Eveneens verkocht Rudolf de Cock op genoemde datum het “castrum” (kasteel) bij Rhenoy met alle toebehoren, zoals tienden, aan de graaf van Gelre.

Westelijk deel van de Betuwe, (bron: Historische Atlas van het Rivierenland)
Westelijk deel van de Betuwe, (bron: Historische Atlas van het Rivierenland)

De graaf van Gelre had voor de genoemde grondruil de toestemming van zijn machtige, tweede vrouw Philippa van St. Pol verkregen. De tekst van de overeenkomst tussen Rudolf de Cocq en graaf Otto II van Gelre luidde als volgt:

"Otte greve van Gelren heeft aen den lande van Gelre geworven Nymegen ende Bomel ende Wageningen tot steden gesticht etc. ende bi rade ende consent vrou Philip van Simpol gewisselt die hove, als Hier, Nederynen ende Opinen mit allen hoeren toebehoeren, mitten hogen ende legen gerechten, sommige heerlicheit ende concicien uytgescheiden, teghen heren Rudolph de Cock, ritter, ende heeft hem die verlijdt in enen erfleen ende hem georloft te tymmeren opten berch tot Hier, dat nu Weerdenberch heit.
Hiertegen had greef Otto voers, dat huys tot Rynoey mitter hoger ende leger heerlicheit ende mit sinen erfenissen, streckende uyt der Lingen in de Lecken etc.
Hier waren over als Rudolph, abt van sunte Marienweerde, Rycolt van Ochten, Gerert van Batenburch, Wilhem van Hernen, Wilhem van Bronckhorst, Otte van Sulen, Johan van Groesbeek, Wilem van Tyglen, Ude van Haeften, ritteren, ende Johan van Cuke, knape, int jaer ons Heeren MCCLXV feria post Petri ad vincula mense Augusti. Hierna starf greef Otto voers, int jaer ons Heeren MCCLXXI opten Dienden dach in Januario ende tot Nyencloester begraven".
Na afronding van de transactie besloot Rudolf de Cocq op de berg in Hien een waard (een houten kasteel) te bouwen. De naam van het huidige dorp Waardenburg verwijst daarnaar, evenals de naam  “Van Weerdenburgh”.

Kasteel Waardenburg in 1612
Kasteel Waardenburg in 1612

Door zijn transactie met Rudolf de Cocq wist graaf Otto II van Gelre een sterke westwaardse expansie te bewerkstelligen en een solide afbakening van zijn territorium. Hoewel de graaf toen nog geen zeggenschap had over Culemborg, Buren en het voormalige klooster Mariënweerd, grendelde hij met zijn transactie met Rudolf de Cocq die gebieden wel af van een eventuele expansie van Holland, waardoor met name Mariënweerd zijn strategisch belang voor Holland verloor.
Tot zo ver de vaststaande historische feiten. De vraag is nu wie was die Rudolf de Cocq, die gezien wordt als stamvader van vele, (ca. 100) al dan niet adellijke families, zoals De Cocq van Waerdenburg, De Cocq van Bruchem, De Cocq van Delwijnen, De Cocq van Kerkwijk, De Cocq van Opijnen, De Cocq van Neerijnen en De Cocq van Haeften? In de loop van de geschiedenis verdween in die familienamen vaak de voorste (eigenlijk hoofd-) naam en bleven er enkelvoudige namen over, die op het eerste gezicht weinig verbinding meer hadden met de originele naam. Wel voeren al deze families vergelijkbare wapens, diverse vormen van het zgn. Châtillonwapen. Op vallend is daarbij, dat verschillende plaatsen in en rond de Betuwe net zo’n wapen voeren, en sterker nog, veel families naar die plaatsen zijn te herleiden. Zie voor meer informatie Genealogisch blog 85.

Châtillonwapen
Châtillonwapen

Zijn bezittingen tussen Lek en Linge en tussen Beesd en Leerdam had Rudolf de Cocq verkregen uit een erfenis van zijn betovergrootmoeder Yolanda van Gelre (1090-1131), die in 1107 gehuwd was met graaf Boudewijn III van Henegouwen.
Naar verluidt was Rudolf de niet-erfgerechtigde zoon Raoul uit het Noordfranse, grafelijke geslacht uit Châtillon sur Marne in de omgeving van Reims, waar hij rond 1215 werd geboren. Zijn ouders zouden Reinold (Renaud) II de Châtillon (geb. 1180) en N.N. de Coucy zijn geweest.  Omdat Raoul in Frankrijk verder geen rechten had, bleven voor hem twee mogelijkheden open: ofwel een kerkelijke carrière ofwel zijn heil elders zoeken. En dat laatste deed hij. Daardoor kreeg bij zijn bijnaam: “le Coquin”, wat in het Frans zoveel betekent als “boef” of “schelm”, maar ook: degene die stad en land verlaat. Raoul trok naar het Noorden, waar hij in de veraf gelegen Betuwe wat bezittingen had. In de lage landen werd zijn naam verbasterd van Raoul le Coquin tot Rudolf de Cocq.

Lodewijk de heilige, schilderij El Greco
Lodewijk de Heilige, schilderij El Greco


Het kan ook zo zijn, dat Raoul gevlucht is uit het leger van koning Lodewijk “de Heilige” om niet deel te hoeven nemen aan een kruistocht. De koning zou toen gezegd hebben:

“Le cocq a chanté le bon matin”. (de haan heeft vroeg gekraaid)
Raoul zou daarop de naam “Le Cocq” hebben gebruikt totdat hij gerehabiliteerd zou zijn. Een ander verhaal wil ons doen geloven, dat Raoul, in opstand tegen de koning, op een morgen het leger van de koning verslagen zou hebben, waarop de koning zou hebben uitgeroepen:

Le cocq a chanté le bon matin”. (de haan heeft vroeg gekraaid)
Trost als hij was liet Raoul zich in het vervolg “Le Cocq” noemen. Uiteindelijk zou de koning aan het langste eind getrokken hebben en moest Raoul de benen nemen naar zijn bezittingen in de Betuwe met medeneming van het wapen van zijn familie. In de Betuwe heette hij Rudolf de Cocq/Kock.
In 1240 trad Rudolf in het huwelijk met Aleid van Ochten en IJzendoorn, bij wie hij twee zonen verwekte: Hendrik (1312) en Rudolf (1315). In 1250 trouwde hij met gravin Agnes Hendriksdr van Cuyck van Meteren, met wie hij nog vijf kinderen kreeg, vier zonen en een dochter. Enkelen van de kinderen van Rudolf begonnen zich direct al te noemen naar de plaats waar ze woonden. Zo heette zoon Rudolf  “De Cocq van Weerdenburg” en kreeg derde zoon Gijsbert de naam “De Cocq van Neerijnen”. Zijn kleinkinderen gingen ermee verder zich te noemen naar de plaats waar ze woonden en hun wapen daarop aan te passen.
Er is in de historische literatuur in Nederland en in Duitsland veel geschreven over de vraag of Rudolf de Cocq nou wel of niet in rechte lijn afstamt van het Franse geslacht Châtillon. Zeer omstandig hebben verschillende auteurs het bewijs trachten te leveren. Echter, de bewijsvoering kwam veelal niet verder dan “zeer aannemelijk” of “hoogstwaarschijnlijk”. Echte, spijkerharde bewijzen op basis van historische documenten kwamen bij geen enkele auteur naar voren.
We moeten het er dan ook maar ophouden, dat het waarschijnlijk is, dat het geslacht van Haeften afstamt van het Franse geslacht Châtillon, maar historisch zeker is het beslist niet.

Tiel, 9 januari 2018

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten