Familiefoto's

Familiefoto's
Familiefoto's

maandag 10 april 2017

Genealogisch blog 180



Rijk en machtig

In zijn boek “Transitie en Continuïteit” over de bezitsverhoudingen en de plattelandseconomie in het westelijke deel  van het Gelderse rivierengebied tussen 1300 en 1570 noemde B.J.P. van Bavel Walraven van Haeften een gefortuneerd en machtig heerschap. In 1464 was er in de Tielerwaard een conflict ontstaan over de tiendplicht van raapzaad. Walraven had alle tienden van het Kapittel van St. Marie uit Utrecht in Varik, Haaften, Geldermalsen, Deil, Rumpt en Gellicum gepacht. Hij nam er geen genoegen mee, dat de bewoners van de genoemde dorpen weigerden de tienden over het verbouwde raapzaad aan hem te betalen en spande een juridische procedure aan. Voor de Bank van Tuil kregen de bewoners gelijk, omdat:

“drie- off vierhondert jair lanck tot desen daghe toe gheen raeptihiende gegheven hebben.”
Walraven ging echter met succes in hoger beroep bij de hertogelijke rechter, die oordeelde, dat raapzaad wel degelijk tiendbaar was:

 “uytgescheyden, beloken hoefsteden van vyer hont lants, off daerenbynnen.”
Alleen als tuinbouwgewas was raapzaad dus niet tiendbaar. De bewoners van de Betuwse dorpen moesten dus betalen. In het volgende jaar stond Walraven vanwege de raapzaadtienden weer voor het gerecht, ditmaal bij de Bank van Deil. Hij klaagde toen niet de kleine boeren aan, maar andere schildboortige personen uit zijn eigen sociale klasse, die ook weigerden de tienden te betalen. Ook deze keer werd Walraven, die juridisch sterk onderlegd was, in het gelijkgesteld.
Walraven van Haeften werd rond 1410 te Tuil geboren als oudste zoon van Otto van Haeften en Adelissa van Herwijnen. Otto was de vijfde Heer van Haaften uit de familie van Haeften, die in de 15e eeuw tot de subtop van de schildboortigen behoorde. De stamhouders zaten qua grondbezit vlak onder de absolute top , zoals de families van Weerdenburg (ca. 360 ha) en Pieck (ca. 240 ha).

Kasteel Frissestein
Kasteel Frissestein
Wanneer we het grondbezit en de grondtransacties van Walraven eens onder de loep nemen, dan kunnen we niet anders dan concluderen, dat hij inderdaad een gefortuneerd man was.

Walraven kocht in 1421 het slot Frissestein, ook wel genoemd Huis te Herwijnen, van Margriet van Giessen, de weduwe van Dirk van Herwijnen. Walraven gaf het vruchtgebruik van Frissestein met bijna 9 ha grond daaromheen aan zijn vader. In 1467 had hij het kasteel weer zelf in gebruik. De Fransen verwoestten het kasteel in 1672. In 1431 bemachtigde hij de overige toebehoren bij het huis te Herwijnen en in 1424 verwierf hij door overdracht van Johan van Culenborch Half die Rade Tiende te Herwijnen. Dezelfde Johan van Culenborch verkocht Walraven in 1431 nog een stuk grond in Herwijnen, genaamd de Meyskamp. In de jaren 1435/1436 kwamen daar nog enkele tienden bij, een hofstad met ruim 5 ha land en de Tolwaard, die Walraven kocht van Johan van Herwijnen Willemszoon. Margriet van Herwijnen deed in 1436 de halve smalle tiende en de halve tiend in Herwijnen van de dijk tot de Marken over aan Walraven. Vervolgens kocht hij in 1444 van Johan van Herwijnen de Engelenburg te Herwijnen. In hetzelfde jaar vergrootte Walraven zijn bezit in Herwijnen verder met de Roemde en een jaar later door transport van Otto van Vuren van Asperen met de tiende de Poetkampen. 

Restant van Kasteel Goudenstein in Haaften
Restant van Kasteel Goudenstein in Haaften

In 1467 werd Walraven eigenaar van het Huis te Haaften (kasteel Goudenstein) met ruim 5 ha land, de Coelhof en 11 ha land in de Molencamp, (tegenwoordig een tankstation langs de A15 bij Knooppunt Deil). In hetzelfde jaar kreeg hij ook nog de Snoygrevenweerd te Rhenen in leen, die hij overigens in 1451 weer verkocht om de heerlijkheid Heesselt te kunnen aankopen.
De zakelijke belangen van Walraven lagen niet alleen bij grondtransacties. Zo verkregen Walraven en zijn broer Arnt op 5 juli 1444 van Johan die Joede de helft van de gruit van Zaltbommel voor het brouwen van bier. Hertog Arnold van Gelre stemde in met deze transactie. Ook in 1444 en in 1467 werd Walraven beleend met de wind in Herwijnen, met daarbij de bepaling, dat, wanneer iemand uit het dorp elders zijn graan liet malen, Walraven automatisch de helft van de opbrengst kreeg. In 1473 erfde hij de bezittingen van zijn broer Arnt, die toen overleed en geen mannelijke nakomelingen achterliet.  De belangen van Walraven brachten hem ertoe om een verdrag over het schoonhouden van de rivier de Linge, die toen nog geen dode rivier was, mede te ondertekenen. De rivier moest bevaarbaar blijven.
Het zat Walraven zakelijk echter niet altijd mee. Op 20 juni 1433 getuigden Claes van Tuyl, de pastoor van Herwijnen, Arnt Rinck, priester en vicaris te Herwijnen, Herman van Spiegel van Herwijnen, Peter Sterck, Otto Jacobssoen, Peter Smoutriem en Jan, bastaard van Culemborg, dat Walraven van Haeften in de nacht van Sint Ponciaensdag 1432 brandschade had geleden aan gewassen, vee, bouwhuis, hooibergen, wagens, ploeg, huisraad en gereedschap ter waarde van 835 Arnhemse guldens.
Walraven volgde, na diens dood in 1430, zijn vader Otto op als zesde Heer van Haaften. Daarnaast was hij Heer van Hellu (Hellouw), dat hij erfde van zijn oom Wouter van Haeften. Door zijn huwelijk met Hendrica van Varick of Ganderick, de erfdochter van Allard van Varick en Sophia van Aller van Stoutenburch, werd Walraven ook Heer van Varick.  

Wapens Van Haeften en Van Varick
Wapens Van Haeften en Van Varick

Toen hij zijn positie in Herwijnen en omgeving behoorlijk had versterkt, sloeg Walraven zijn vleugels verder uit. Hertog Arnold van Gelre stelde hem in 1436 aan als drost/ambtman van Buren en Beusichem. Buren en Beusichem kenden in die tijd een eigen rechtssysteem, dat was gebaseerd op het landrecht van 1383, dat heer Alart van Buren de stad had verleend, en op het poort- of stadsrecht uit 1395. Het Burense poort- en stadsrecht vertoonde grote overeenkomst met het poort- en stadsrecht van Culemborg uit 1318.
Het is mogelijk, dat Walraven van Haeften niet door de hertog van Gelre was aangesteld als drost van Buren, maar door Johan van Culemborg, zoals het Nieuw Nederland Biografisch Woordenboek stelde. Buren was in de tweede helft van de 15e eeuw met succes bezig zich los te maken van de Heren van Culemborg en de hertog van Gelre.
In het aanstellingsjaar als drost van Buren en Beusichem maakte Walraven deel uit van een commissie van scheidsrechters, die de graaf van Gelre in het leven riep nadat de abt van de toenmalige abdij Mariënweerd bij de graaf de misstand onder de aandacht had gebracht, dat pandnemers van de abdij weigerden hun pand in te laten lossen, terwijl toch oorkondelijk was vastgelegd dat dit altijd mogelijk was. Walraven behoorde met zijn broer Arnt tegelijk ook tot de aangeklaagden. De commissie van scheidsrechters gaf de abdij gelijk, waardoor deze veel in pand gegeven bezit in de daarop volgende jaren weer volledig in eigendom kreeg. In zijn beginjaren als drost liet Walraven zich in zijn oordeel blijkbaar nog sterk leiden door juridische argumenten, ook al gingen die in tegen zijn eigen belang. In 1441 was hij betrokken bij een twist tussen Driel en de andere dorpen in de Bommelerwaard. Walraven was, evenals zijn broer Arnt, één van de edele getuigen, toen de hertog de burgers van Tiel een schadeloosstelling beloofde voor de hulp die zij hem verleend hadden tegen de weerspannige burgers van Driel. Walraven en zijn broers Willem, Arnt, Gijsbert en Otto werkten mee aan de uitvoering van het vonnis tegen Driel.
Tijdens de vasten van 1438 waren de dijken van de Waal weer een keer doorgebroken. Voor drossaard Walraven was het heel gewoon, dat hij met zijn mensen en met alle Betuwenaren meehielp om de schade aan de dijken te herstellen. Aanvankelijk deden ze dat door de breuken in de dijken met kleine dijken of kaden te stoppen. De heemraden echter besloten een nieuwe dijk aan te leggen tussen Tiel en Ooy, en zo geschiedde.
Als drost van Buren stond Walraven van Haeften op goede voet met hertog Arnold van Gelre. In april 1446 was Walraven getuige, toen hertog Arnold erkende 10420 Rijnsche guldens schuldig te zijn aan zijn raad Gerard heer to Culemborg, Weerde en Ewijck , van wie Walraven zelf eerder ook geld had geleend. De hertog gaf hiervoor het ambtmanschap van slot, stad, land, heerlijkheid en ambt van Buren en Beusichem tot onderpand aan Gerard van Culemborg. Voor Walraven betekende dat het einde van zijn functie als drost van Buren. 

Zegel van Walraven van Haeften
Zegel van Walraven van Haeften

De Burenaren waren hem trouwens toch al zat, gegeven het feit, dat zij tegen hem in opstand kwamen, zijn huis bestormden, hem de toegang tot de stad ontzegden en hem met hulp van die van Nijmegen uiteindelijk verdreven. Walraven gaf zich over op voorwaarde van een vrije aftocht. Op 21 mei 1448 beloofden de steden en de ridderschap van Nijmegen, dat Walraven in geen enkele functie in het Land van Buren mocht terugkeren. Wel kreeg hij van de nieuwe ambtman een vergoeding van 7500 Rijnse Guldens, hetgeen doet vermoeden, dat Walraven het ambtmanschap had gepacht. Door belangrijke functies van de Landsman te pachten verwierven de schildboortigen zich grote macht en rijkdom.
Nu hij geen drost van Buren meer was, moest Walraven andere activiteiten zoeken om zijn tijd mee door te komen. In 1447 nam  hij de functie van Raad van Zaltbommel op zich, terwijl hij al Raad (=adviseur) van hertog Arnold van Gelre was. Voor de hertog trad hij na 1446 op als gezant bij diens onderhandelingen met de hertog van Brabant. In hetzelfde jaar was hij samen met Jan van Schonauwen schepen van Tuil. In 1461 was Walraven, die haar hofmeester was, getuige voor Maria van Bourgondië, toen die uitspraak deed in een geschil tussen haar zoon en hertog Arnold van Gelre en diens vrouw Catharina, de dochter van Maria van Bourgondië. In 1452 behoorde Walraven tot de Noordnederlandse edelen, die deelnemen aan de strijd van Philips van Bourgondië tegen de Gentenaren, die verslagen werden bij Rupelmonde. Kennelijk was het voor Walraven voordelig de zijde van de Bourgondiërs te kiezen. Dat Walraven een gevecht niet schuwde bleek in 1467, toen hij voor Jolenta, de weduwe van Reinoud van Brederode, de stad Vianen veroverde.
Hertog Arnold van Gelre was in een felle strijd verwikkeld om de macht in het Gelderse met de Bourgondische Karel de Stoute. Op 'saterdach na Sint Alexisdag 1461’ zegelde Walraven als 'onse havemeister' een oorkonde van hertog Arnold van Gelre, waarin stond:

“dat heer Walraven van Haeften, heer Goirt van Wylack en heer athys van Eyl sementlick opten herenhuse (te Venlo) waeren om der zwoenen will, ten selven mael gehat ende doen geschinct 3 quart maelvysien”. 
Karel de Stoute strafte alle Gelderse schildboortigen met verbeurdverklaring van hun goederen, toen hij Gelre veroverd had. Toen Karel de Stoute echter in 1472 de strijd weer verloren had van hertog Arnold en de hertog van Kleef en afstand deed van zijn rechten op de verbeurdverklaarde goederen van de schildboortigen, behoorde Walraven tot degenen voor wie de hertog dat deed op 28 december. Ook met de latere hertog van Gelre, Adolf, was Walraven bevriend; hij was met Otto van Bylandt één van de getrouwen van de hertog, toen deze een verbond van vriendschap sloot met bisschop Roprecht van Keulen.
Natuurlijk was Walraven ook ridder. Vanaf 1458 staat hij te boek als Ridder van Herwijnen, ter gelegenheid waarvan hij nog een paar stukken tiend in bezit kreeg van Johan van Herwijnen en diens vrouw Fije Spaens. Hij kwam nog voor op de Ridderceduul van Nijmegen in 1460 en 1468, evenals zijn broer Otto.
Wanneer Walraven met Hendricka van Varick in het huwelijk trad is niet bekend. Vermeld is, dat het huwelijk van Walraven en Hendricka plaats vond na het overlijden van een broer van Walraven. Dat moet dan na het overlijden van Nicolaes (Claes) van Haeften in 1438 geweest zijn. Als Vrouwe van Varick was Hendricka natuurlijk niet onbemiddeld. In 1473 verwierf ze 13 ha land op de Langemaat in Ophemert, die ze naliet aan haar zoon Johan Walravenszn.
Walraven en Hendricka kregen 6 kinderen. Dochter Johanna werd religieuze in Zaltbommel. Beatrix, die vóór 1478 overlijdt, trouwde op 21 oktober 1468 met Johan Johansz van Rossem, Heer van Rossem, Lathem en Zoelen. Uit het huwelijk wordt één dochter, Meralda, geboren. Zoon Philips, die overleed vóór 1486, trad in het huwelijk met Griet Ernstendochter van Ewick. Griet was vóór haar huwelijk met Philips al twee keer getrouwd geweest en trad na zijn dood nog twee keer in het huwelijk. De derde dochter van Walraven en Hendricka werd geboren in Haaften in 1435, zij overleed op 31 oktober 1504, 69 jaar oud. Deze Elisabeth trouwde vier keer. Toen ze 21 jaar was trad ze met Johan Gerritsz van Broeckhuijsen in het huwelijk. Vier jaar later, in 1460, vond het huwelijk met Adolf van Egmond plaats. Na 10 jaar eindigde ook dit huwelijk. De volgende echtgenoot was Gerrit van Vlodorp, die in 1480 overleed. Tenslotte trouwde Elisabeth, toen ze 61 jaar oud was, met Willem van Aeswijn. De vierde dochter van Walraven en Hendricka is genaamd naar haar moeder. Dochter Hendrica, ook wel Henriëtte genoemd, kwam omstreeks 1438 in Haaften ter wereld. Zij trouwde in 1466 in Detmold in Duitsland met Hendrik van Ranst. Dit echtpaar, dat 5 kinderen kreeg, drukte vooral zijn stempel op het geestelijke leven in Boxtel.
Het zesde kind van Walraven en Hendricka was Johan Walravenszn, die ongeveer in 1440 in Haaften op Kasteel Goudenstein geboren werd. Deze Johan erfde veel van zijn vader en moeder, omdat zijn oudere broer Philips al overleden was. Johan was de volgende Heer van Haaften, Hellouw en Herwijnen. In 1478 trad Johan, die toen 38 jaar oud was, in Herwijnen in het huwelijk met Diderica van Immerseel van Lyre. 

Graf Walraven van Haeften, Grote Kerk Zaltbommel
Graf Walraven van Haeften, Grote Kerk Zaltbommel

Hendricka van Varick overleefde haar man Walraven 4 jaar. Hij overleed in 1478 en was toen ongeveer 68 jaar oud. Hij werd begraven in de Grote Kerk van Zaltbommel. Hendricka blies haar laatste ademtocht uit op eenenzestigjarige leeftijd in 1482.
Gegeven zijn vele bezittingen is de conclusie gerechtvaardigd, dat Walraven een zeer gefortuneerd man was. Door zijn huwelijk met Hendricka van Varick wist hij zijn bezittingen nog fors uit te breiden. Hij kende slechts weinig tegenslag. Hij was ook een machtig man, die, nadat hij verdreven was als drost van Buren, een fijne neus had voor welke partij hij moest kiezen in de strijd om de zeggenschap in Gelre.

Tiel, 10-04-2017

2 opmerkingen:

  1. In uw blog
    > http://genealogischblogpaulwelling.blogspot.nl/2017/04/genealogisch-blog-180.html maakt U melding van een verklaring van Claes van Tuyl en Arnt Rinck op 20 juni 1433. Ik ben bezig met genealogisch onderzoek en zou graag weten waar ik dit document kan inzien. Kunt U mij aan die informatie helpen Mijn hartelijke dank, J.B. (Hans) Opschoor

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Het betreffende document is afkomstig uit het Archief van de Graven en Hertogen van Gelre bij het Gelders Archief.
      Paul Welling

      Verwijderen